Le penseur linksOverpeinzing bij een overpeinzing Le penseur rechts

In de Nieuwsklok van 14 november las ik een prachtige overpeinzing van Hans Pijnaker over Fjodor Dostojewski. Het deed me denken aan zijn boek ‘Herinneringen uit het ondergrondse’ (1864), dat mij erg geïnspireerd heeft. Juist doordat je er niet optimistisch en vrolijk van wordt.

Omdat Dostojewski zich hierin hartstochtelijk en in beklemmende bewoording afzet tegen politieke idealen van een ideale wereld, tegen ‘de toekomstige algemene redelijkheid’ wat hij een ‘kristallen paleis’ noemt: “Mijne Heren u gelooft in een onverwoestbaar kristallen paleis, dat is dus iets, waartegen men nooit in het geheim zijn tong kan uitsteken, dat men nooit in het geheim met zijn vuist kan bedreigen. Welnu, ik ben wellicht juist bang voor dit bouwwerk, omdat het van kristal is, omdat het in alle eeuwigheid onverwoestbaar is, omdat men er zelfs niet in het geheim zijn tong tegen kan uitsteken.” (..) “Dan – zo zegt gij – zullen nieuwe economische verhoudingen intreden, die helemaal pasklaar en met mathematische nauwkeurigheid uitgerekend zijn, zodat in een oogwenk alle mogelijke vragen zullen verdwijnen eigenlijk slechts daarom, omdat men op die vragen alle mogelijke antwoorden krijgt. Dan zal er een kristallen paleis worden opgetrokken.”

De hoofdpersoon van Herinneringen uit het ondergrondse wil echter een vrije, zelfstandige wil, ook al is dat niet wat de rede en zijn voordeel voorschrijft. Integendeel zelfs: “Zijn eigen vrije, zelfstandige wil, zijn eigen, mijnentwege onbesuisde grillen, zijn eigen fantasie, die iemand vaak tot een krankzinnigheid opwindt, dat is nu juist dezelfde veronachtzaamde voordeligste voordeel, dat zich aan iedere classificatie onttrekt en waardoor alle systemen en theorieën onveranderlijk naar de bliksem gaan. En waar halen al die wijsgeren de waarheid vandaan, dat de mens zo’n normale deugdzame wil nodig heeft? Hoe komen ze ertoe om zich in te beelden, dat de mens beslist een verstandige, op zijn zedelijk voordeel gerichte wil moet hebben. De mens heeft niets anders nodig dan een zelfstandige wil, wat die zelfstandigheid ook moge kosten en waarheen ze hem ook brengen mag. Nu en dat willen, dat hangt toch de duivel mag weten…”

Er valt hier m.i. een les te leren voor politici. De geschiedenis heeft geleerd dat ‘redelijke blauwdrukken van een ideale samenleving’ – wat Dostojewski ‘kristallen paleizen’ noemt - talloze slachtoffers en menselijk leed hebben veroorzaakt.

Is dat een reden om niet utopisch te durven denken.
Nee. Wat Dostojewski mij geleerd heeft is dat utopisch denken, de fantasie en voortdurende twijfel, nodig is om systemen en theorieën – kristallen paleizen – steeds opnieuw te versplinteren, in naam van de twijfel: “In een kristallen paleis is het ook ondenkbaar; lijden is twijfel, lijden is negatie en wat is dat voor een kristallen paleis, waarin men zou kunnen twijfelen.” Dat je Utopia – in de geest van Oscar Wilde - steeds in haar meervoudsvorm Utopia’s moet schrijven: “Een kaart van de wereld die geen Utopia bevat is niet de moeite waard om zelfs maar een blik op te werpen. Want het vermeldt niet dat ene land waar de Mensheid altijd aanlandt. En wanneer de mensheid daar aanlandt, kijkt zij uit, en – een beter land ziend –hijst ze de zeilen. Vooruitgang is de verwerkelijking van Utopia’s.” (Oscar Wilde, De ziel van de mens onder het socialisme, 1891) Joop van Hezik