• Een 60+er verteld.
  • Burenhulp toen,  participatiemaatschappij nu?

 

Een 60+er

Vertelt

Met een zwaai ging de voordeur open. Daar stond Evert Helmer. Hij was helemaal klaar voor het interview, zoals hij zei.

Toen iemand hem vroeg of hij geïnterviewd wilde worden, had hij toegestemd omdat hij veel te vertellen heeft. Dat klopt. Al mijmerend kan hij terugkijken op een goed leven.

Hij is geboren in 1928 in Bandoeng in voormalig Nederlands Indië. Zijn vader was daar tijdelijk werkzaam. Drie maanden na zijn geboorte ging het gezin terug naar Nederland.

Men ging wonen in Driehuis, een kleine plaats in Noord Holland. Daar is hij opgegroeid en volgde er de bewaarschool bij de nonnen en de lagere school. Eerst ging hij naar de Mulo, maar al gauw kon hij door naar het Ignatius-college in Amsterdam. Daar volgde hij de HBS-A bij de paters Jezuïeten. Aan die tijd heeft hij heel goede herinneringen. Naast het uitstekende onderwijs dat er werd gegeven, was er ook ruime aandacht voor sport en ontwikkeling in het algemeen. Uitgebreid vertelt hij bijvoorbeeld hoe de lessen declameren verliepen. Daarvoor moest je luid en duidelijk leren spreken en goed articuleren. Daarmee werd geoefend op de grote zolder van de school. De leerling stond aan de ene kant, een pater aan de andere kant van de zolder. Luid en duidelijk moest de leerling dan de tekst overbrengen.

Zijn leven ontwikkelde zich eigenlijk bijna vanzelfsprekend. De ene fase vloeide op een vrij natuurlijke manier over in de andere.

Zo had hij zich voorgenomen om economie te gaan studeren. Hij dacht dat dat de enige studie was die je kon doen met HBS-A. Omdat er in Amsterdam geen katholieke universiteit was, ging hij naar Tilburg. Daar aangekomen, zag hij dat er ook sociologie werd gegeven in Tilburg. Dat was veel meer naar zijn hart. Dus ging hij sociologie studeren. Toen hij vrijwel aan het einde van zijn studie zat, ontmoette hij iemand die op de Katholieke Hogeschool 

–  zoals de universiteit  in Tilburg toen heette – posters opplakte met programma’s van alle volkshogescholen. Hem werd gevraagd dit ook te gaan doen, zodat hij wat kon bijverdienen. Dat leek hem wel wat. Dus ging hij dat doen. Zodoende kwam hij in contact met de Volkshogeschool in Bergen, Noord Holland. Hij kon daar een baan krijgen, nog voordat hij was afgestudeerd. In 1952 studeerde hij af.

Toen kwam meteen de onvermijdelijke dienstplicht. Hij had een klein voordeel, omdat hij voorheen al bij de nationale reserve was. De nationale reserve was een beweging waarbij vrijwilligers, die zich hiervoor hadden opgegeven, werden opgeroepen om zo nu en dan een militaire training te krijgen. Men vond dat indertijd nodig “voor het geval dat de Russen ons land zouden binnen vallen”.
In dienst volgde hij eerst de officiersopleiding. Dat was wel leuk. Daarna volgde een periode van de dagelijkse verplichtingen, marsen en oefeningen (“waarbij je zelf ‘pief, paf, poef’ moest zeggen bij gebrek aan oefenmunitie”). Dat vond hij een heel saaie tijd.
Maar gelukkig kwam ook daaraan een einde.

Na de diensttijd kon hij terugkomen bij de Volkshogeschool in Bergen, om vandaaruit te solliciteren naar een andere baan. Die baan vond hij bij het GITP = Gemeenschappelijk Instituut voor Toegepaste Psychologie in Tilburg.
Nadat hij daar een half jaar had gewerkt, vond de toenmalige directeur van het GITP het de hoogste tijd worden dat Evert zou gaan trouwen. Immers, hij was al vanaf de lagere school verliefd op hetzelfde meisje, met wie hij later ook verkering kreeg.  De directeur vond het niet goed dat jonge medewerkers zo lang verkering hadden!  Dus moest er getrouwd worden.

Woonruimte vond men boven het bureau van het GITP: twee slaapkamertjes, een woonkamer en een toilet. Een badkamer was er niet. Daarvoor ging het jonge stel naar het badhuis, zoals toen gewoon was. Mannen en vrouwen gescheiden natuurlijk.
Dat was altijd gezellig. Samen luid zingen onder de douche. Omdat het badhuis een hoog gewelf had, klonk dat heel mooi.
De kleine woonruimte moest verlaten worden toen het GITP de kamers zelf nodig had.

Vanuit het GITP gaf hij opleidingen voor lager leidinggevend personeel. Dat deed hij in samenwerking met de Bond van Werkmeesters. Daarvoor bezocht hij diverse bedrijven door het hele land. Dat was een mooie tijd.
Na 10 jaren echter gaf de directeur hem het advies nu maar weer eens wat anders te gaan doen. Niet omdat hij niet tevreden was, maar omdat hij het beter vond dat er na 10 jaren van baan werd gewisseld (eigenlijk een hele vroege vorm van job rotation !).
Hij zocht en vond een baan op de toenmalige Volkshogeschool in Oisterwijk aan de Kievitsblekweg. Deze volkshogeschool is later afgebroken; de grond werd weer gebruikt door Brabants Landschap.

In 2011 kwam de grote klap toen zijn vrouw overleed. Hij moest opnieuw zijn weg vinden in zijn leven. Dat is hem inmiddels goed gelukt, zoals hij zelf zegt. Hij verzorgt zijn eten en huishouden goed, met een kleine ondersteuning. Daarnaast zit hij in de pastoraatsgroep van de Levenskerk. Daar leest hij ook af en toe het Evangelie.

Hij besluit ons gesprek met een blij gezicht en zegt: “Eigenlijk had en heb ik toch een heel fijn leven!”    Een tevreden mens dus.

 

Ankie Wessels Beljaars

 

Wilt u ook geïnterviewd worden over uw leven vroeger en nu? Laat dit dan weten aan de redactie van de Seniorenpagina. Adres en telefoonnummer vindt u op deze pagina.

 

Terug naar boven.

 

Elisa's

belevenissen

 Burenhulp toen, participatiemaatschappij nu?

 

Jan en Mien, Cor, Noud en Kee....mijn buren in Haaren. Ze zijn overleden maar nog regelmatig moet ik aan ze denken.

 

Ruim dertig jaar geleden was ik met mijn man in die kleine buurtgemeenschap aan de rand van Haaren komen wonen.

De bouwvallige boerderij die we daar kochten lag al twee eeuwen aan de weg die van Haaren naar Esch leidde. Al spoedig kwamen we in contact met de bewoners van de omliggende boerderijen. Buurman Jan kwam ons adviezen gegeven voor de verbouwing en hielp ons met het vangen van de mollen in de tuin. Buurvrouw Mien vertelde sappige verhalen over vorige bewoners geïllustreerd met oude foto’s . En al spoedig werden we bij het eerste feest in de buurt uitgenodigd. Noud en Kee vierden hun veertigjarige bruiloft in hun kleine, oude huis aan een lange tafel samen met hun negen kinderen en aanhang en de directe buren. Andere feesten, zoals bruiloften en verjaardagen van buren, volgden.

Maar er werd ook hard gewerkt. Als de aspergetijd was aangebroken zagen we ‘s morgens vroeg de tractor van Noud met de aanhanger waarop Kee met haar klompen aan achterop zat via het zandpad richting de velden rijden. En dat alle dagen van de week.

In de wei tussen onze boerderij en die van Jan en Mien stond het zware Zeeuwse paard dat Jan ieder jaar liet dekken. Altijd een spannende tijd als het veulen geboren moest worden. Als het zo ver was vroeg Jan aan mijn man of hij mee wilde helpen bij de bevalling. De veearts had daar altijd extra mankracht voor nodig om het (al grote) veulen naar buiten te trekken. Meestal gebeurde zo’n bevalling ‘s nachts. Het was geweldig om dan de volgende dag moeder en kind in de wei te zien staan als we bij Mien op de beschuit met muisjes gingen.

En toen werd mijn man ziek. Ernstig ziek. De huisarts uit Udenhout, waar we voorheen woonden, kwam bijna om de dag op bezoek om te kijken hoe het ging en nam ook de tijd voor een gesprek met een kopje koffie. We kregen zijn privé nummer met de mededeling dat we hem gerust ‘s nachts mochten bellen als dat nodig zou zijn. Mijn man had besloten dat hij van verdere behandeling af zag en thuis wilde sterven.

De buren kwamen langs, vroegen of ze iets konden doen. Jan hield de tuin bij. Noud kwam om te buurten, pijp in de mond, klompen naast de voordeur en een potje honing van zijn bijen steeds bij zich. Cor kwam en zorgde voor de poezen als wij langere tijd naar het ziekenhuis moesten. Mijn man genoot van de bezoeken van de buren, was dankbaar voor hun kleine gestes en betrokkenheid. De vanzelfsprekendheid van die ondersteuning was geweldig om te ervaren. Toen hen duidelijk werd dat mijn man ongeneeslijk ziek was, gaven ze hem ook de verzekering dat ze mij na zijn dood zouden blijven steunen.

En dat gebeurde ook. Na zijn overlijden bleef hun bescherming, hulp en advies doorgaan. Jan zorgde dat de sloten “geschoond” werden, hij hielp met de tuin, van Mien kreeg ik lekkere hapjes (want je moet wel goed blijven eten), Cor zorgde er voor dat ik de meest ideale hulp kreeg die er in Haaren te vinden was om me te helpen bij het  huishouden. Det was de engel die al die jaren mijn steun en toeverlaat werd.

De buurt zorgde er voor dat ik me veilig en thuis bleef voelen in die grote boerderij. Ze hielden alles in de gaten. Maar altijd op een prettige manier.

Natuurlijk was het geen éénrichtingsverkeer, ook ik was betrokken bij hun lief en leed. Informeerde naar hun wel en wee en hielp met hand- en spandiensten.

Nu besef ik dat ik enorm bofte met al die hulp want ook burenhulp was in die tijd niet altijd zo vanzelfsprekend en zonder problemen.

Nu de overheid zich steeds vaker terugtrekt  en de zorg meer over laat aan het particulier initiatief moet ik thuiszorgweer vaak aan die tijd terug denken.

Het benauwt me dat men  zo vanzelfsprekend er van uit gaat dat ieder individu  genoeg sociale contacten heeft om thuis opgevangen te worden en de weg naar hulpverlening te vinden.

Naarmate je ouder wordt, word je ook kwetsbaarder. Mensen laten je in de steek, of gaan dood. Veel oude vertrouwdheden zoals postkantoren, individuele adviseurs bij banken, een huisarts die nog tijd voor je heeft, zijn verdwenen in relatief korte tijd. Apps..en domotica..zijn nu de toverwoorden!  En als je de nieuwe ontwikkelingen niet bij houdt ben je al snel een outcast. Je kunt je dus afvragen: hoe sociaal zijn nu eigenlijk die 'social media' ?

In dertig jaar tijd is de maatschappij waarin wij leven in een sneltreinvaart veranderd, is zogenaamd ‘open’ geworden. Die openheid mist echter de warmte van de vanzelfsprekende buurtschap. Het hebben van een sociaal netwerk wordt ons nu door de overheid opgedrongen. Je kunt daar op verschillende manieren naar kijken. Op voorhand negatief..of er het beste van zien te maken.

Bij mij is de twijfel groot...en vaak denk ik nog aan dertig jaar geleden...toen was het allemaal zo heel gewoon!

  

Else van Helmond

Terug maar boven.