Bewoners verpleeghuizen willen niet klagen

verpleeghuis

Klagen bewoners van verzorg- en verpleeghuizen veel? Formele klachten worden nauwelijks geregistreerd. Het ministerie van Volksgezondheid vroeg gezondheidsinstituut Nivel om uit te zoeken of de bewoners echt niets te klagen hebben.

 

Uit een kleinschalig, oriënterend onderzoek bij drie zorginstellingen blijkt dat er wel degelijk zaken niet goed gaan, maar dat de bewoners om uiteenlopende redenen liever niet klagen bij het personeel.

'Als je wilt weten wat er speelt bij een instelling, moet je niet te veel leunen op de meldingen die binnenkomen bij klachtenfunctionarissen, zorgmanagers en regiomanagers', aldus een woordvoerster van Nivel. Het klachtenrecht is een belangrijk patiëntenrecht. 'Veel instellingen hebben hun klachtensysteem goed op orde, qua toegankelijkheid en dergelijke. Maar dat wil dus niet veel zeggen.'

Dat bewoners niet klagen, komt onder meer omdat ze niet als lastig te boek willen staan. 'De afhankelijkheid van de hulpverlener speelt daarbij een rol, maar ook willen ze niet dat het personeel op de kop krijgt', legt Bomhoff uit. 'Een ander belangrijk punt is dat het gros van de bewoners denkt dat klagen toch geen zin heeft.' Volgens Bomhoff moeten instellingen investeren in goede gespreksmomenten met de bewoners, als ze willen weten wat mogelijke verbeterpunten zijn.

(bron: ANP, okt.2013)

Terug naar boven.

Cornelis Verhoeven, een filosoof uit Udenhout

cornelis-verhoevenCornelis Verhoeven werd geboren op 2 februari 1928 in een boerderij aan het Kuilpad in Udenhout. Hij was het vierde kind in het gezin van Jan en Jans Verhoeven.

Cornelis had zes broers en zusters.

Cornelis kon goed leren en was bestemd voor het priesterschap. Hij volgde het kleinseminarie Beekvliet in St. Michielsgestel en het grootseminarie in Haaren.

Op het grootseminarie werd zijn neiging tot beschouwelijkheid en de wijsbegeerte aangewakkerd.

Maar nog tijdens het tweede jaar van het grootsminarie verliet hij de opleiding op Haerendaal en ging in 1950 studeren aan de Katholieke universiteit van Nijmegen.

Daar studeerde hij oude talen, wijsbegeerte en godsdienstwetenschappen.

In 1956 promoveerde hij op het godsdiensthistorisch proefschrift; “ symboliek van de voet ”.

Na zijn afstuderen werd hij docent oude talen aan het Marialyceum ( het latere Jeroen Boschcollege) in ‘s-Hertogenbosch. Daar bleef hij 28 jaar.

In de jaren die volgden ontwikkelde hij zich tot een productief en veelzijdig essayist. Hij publiceerde in veel culturele en wijsgerige tijdschriften, met name in de tijdschriften Roeping (later voortgezet als Raam)  Streven, Brabantia, en de Tijd.

 In 1965 volgde zijn eerste boek, onder de titel “ Rondom de leegte “.  Het boek werd meteen een succes. Er volgden 8 herdrukken en het werd vertaald in het Duits en Italiaans.

Na 1965 verschenen er jaarlijks een of meerdere boeken van zijn hand en schreef hij een groot aantal essays. Vaak over actuele onderwerpen, wijsgerige monografieën of commentaren, maar ook biografische werken.

Zijn productiviteit was enorm, naast het schrijven van boeken en essays, verzorgde hij vertalingen van  werken van Cicero, Seneca, Aristoteles, Heidegger, Augustinus, Plato e.a.

Al vlug werd onderkend dat hij een goed en virtuoos schrijver was.  In 1964 ontving Verhoeven de literatuurprijs van de provincie Noord-Brabant, in 1991 de Anna Frankprijs voor het essay  "Filosofie van de troost ” en in 1980 de belangrijke P.C. Hooftprijs voor letterkunde (essays).

In 1982 volgde zijn benoeming  tot hoogleraar antieke wijsbegeerte aan de universiteit van Amsterdam. Na een universitaire reorganisatie en de opheffing van deze leerstoel bekleedde Verhoeven daar tot aan zijn emeritaat in 1993 de leerstoel metafysica en haar geschiedenis.

In 1998 kreeg hij een eredoctoraat aan de Katholieke Universiteit van Brussel.

Na zijn emiraat bleef hij actief. Hij gaf college-reeksen in Amsterdam, Tilburg en Eindhoven.

Schreef nog negen boeken, vertaalde vier werken van klassieke auteurs en was tot het laatst een veelgelezen en gewaardeerd  columnist.

Cornelis Verhoeven overleed op 11 juni 2001 in zijn woonplaats ‘s-Hertogenbosch.

Else van Helmond

Terug naar boven.

Het alziend oog

oogVoelde u vroeger in de schoolklas of in de kerk ook altijd dat alziende oog van God in die beruchte driehoek in uw rug prikken in de wetenschap dat dat oog alles afwist van uw gedachten en van wat er verder nog door uw hoofd spookte? De Udenhoutse hoogleraar filosofie, Cornelis Verhoeven, heeft dat in zijn jeugd ook gevoeld en schreef daarom naast vele andere publicaties onder meer ook een mooi, verhelderend en bevrijdend boek over dat oog  met de titel: Het alziend oog; gedachten over spiritualiteit en tijdgeest.


Hij had het hierin onder andere over de macht van de R.K.Kerk over onze geest in de vorm van die zo gevreesde driehoek met daarin dat oog. Het was vaak aangebracht op het gewelf van kerken of in de vorm van een wandversiering in huizen aan de muur gehangen of achter in de klas als een spionerend oog dat alles zag, vooral dat wat verboden was. Gewoonlijk was de afbeelding voorzien van een tekst als “God ziet mij”  of “Hier vloekt men niet”.

Menigeen, zegt Verhoeven,  zal wel een herinnering hebben aan dat oog: een blik op dat alziende oog moest de bezoeker, bewoner of leerling in de schoolklas ervan weerhouden zondige gedachten te koesteren of grove taal te spreken. Met dit oog in die driehoek werd wel een tirannieke last op de schouders van kinderen gelegd, constateert deze Brabantse filosoof, een soort ‘big brother’ van onze informatiesamenleving als controlerende macht, maar allereerst toch de als spiedend opgevatte blik van een opperwezen aan wie niets ontging.  Want juist dat wat zich schuil hield was  voorwerp van aandacht bij uitstek voor  dat verre en alleen voor de verbeelding zichtbare oog. Het grote raadsel van dat oog lag in de vraag, die eigenlijk niet eens gesteld mocht worden, maar als angstzweet door de poriën  naar buiten drong: hoe kon iemand weten dat aan dat oog niets ontging? Want wat kan er ontgaan aan iemand die zelfs dat allemaal al weet? Het alziend oog moet het oog van de wetende zijn. En het is er eerder om dat weten te demonstreren dan om waar te nemen wat wij allemaal stiekem doen. Alles werd in dat oog visueel geregistreerd, zo werd ons voorgehouden, “ook onze geheimste gedachten”. Die vormden zelfs bij uitstek het voorwerp van interesse en waarneming van dat oog en die geheimste gedachten moesten dus tot in details door dat oog geweten en beoordeeld worden, voordat ze zelfs maar door iemand werden gedacht.

Er was dan ook geen ontkomen aan. Zelfs de ontkenning van die geheimste gedachten werd feilloos geregistreerd. Wat die schichtig passerende gedachten precies inhielden, werd ons nooit duidelijk gezegd en dat kon ook niet, want zij waren zeer geheim.Maar die geheime gedachten, daadwerkelijk gedacht of niet, werden toch gesignaleerd en geweten door het oog en werden door het oog ook beschouwd als zondige en verboden gedachten. Deze voorstelling van zaken werd niet alleen probleemloos bij alle tijdgenoten ingeprent in hun geest maar ook dwingend aan hen opgelegd, op straffe van verdoemenis. Er viel niet aan te ontkomen. En die geheime gedachten werden ook gezien als interessegebied van de eeuwige, boven tijd en beperking verheven God.

Met deze informatie over dat oog heeft deze filosoof ons inzicht gegeven in en ons aldus bevrijd van een ongewenste controle over onze geest door kerkelijke autoriteiten.

Het was de tijdgeest van toen. Zo werd er gedacht. Gelukkig wordt er nu , ook door de kerk, anders gedacht. Maar ik denk dat we deze Udenhoutse filosoof dankbaar moeten zijn dat hij die onzichtbare macht van dat alziend oog heeft weten te ontmaskeren en heeft weten door te prikken, zodat  het nu geen macht meer over ons heeft.

Hans Pijnaker

Terug naar boven.